The Aletheon2018-10-19T14:58:15+00:00

The Aletheon

Pagina 97 van The Aletheon.

God-als-ouder en de God die moet worden Gerealiseerd

(7 februari 1983)

AVATARA ADI DA: Vandaag sprak Ik met een paar mensen over hun opvoeding en de religieuze denkbeelden uit hun jeugd. Mensen hebben een gemeenschappelijke mening als het gaat om God of het Goddelijke en die stellen ze gelijk aan een fundamenteel religieus besef of idee. Ik heb het wel eens omschreven als het gevoel dat je kunt hebben alsof er Iemand Anders in de kamer is, terwijl je toch alleen beul Die veronderstelling is strijdig met het uitgangspunt van waarachtig Spiritueel leven.
Hoewel Ik steeds over God spreek, stel Ik eigenlijk een andere kwestie
aan de orde. Ik Spreek vanuit een ‘Standpunt’ dat verschilt van het conventionele religieuze uitgangspunt. Misschien zou je- als je die twee ter vergelijking naast elkaar legt—mijn ‘Standpunt’ zo kunnen samenvatten: ongeacht hoeveel mensen er in de kamer zijn, er is altijd maar Één Persoon!
In het algemeen gaan gesprekken over God of godsdienst algauw op een naïeve manier de kant op van de ‘Andere Macht’, de ‘Ander’, wat aansluit bij een vrij kinderlijk of zelfs infantiel realiteitsbesef, kinderen zijn doorgaans geen grote metafysici of mystici. Ze beschikken zowel over enige zeer eenvoudige, als over enkele opmerkelijke bewustzijnsvormen die volwassenen geneigd zijn te verwerpen. Vertellen kinderen evenwel hoe ze denken over God, dan geven ze heel vaak uiting aan een idee dat hun door hun ouders is opgelegd. Ze beschrijven de werkelijkheid op een naïeve manier overeenkomstig de psychologie van een kind, vanuit het vrije bewustzijn uit de kinderwereld dat de totale realiteit niet automatisch associeert met verheven, abstracte kwesties.
Het is niet zo dat kinderen—ongehinderd door denkpatronen— zuiverder religieuze ideeën hebben dan volwassenen. De religieuze ideeën waarvoor een kind ontvankelijk kan zijn en waarop het kan reageren, zijn in het algemeen gestoeld op de psychologie van zijn of haar situatie, te weten: afhankelijkheid van een ouder of van de ouders, in het bijzonder van de moeder. In de conventionele ouder-kindrelatie is vader of moeder de grote, de ervarene, die de kleinere, kwetsbare, moet beschermen. Een dergelijke relatie vormt de simpele basis voor kinderlijke religieuze zienswijzen en voor wat men vaak onder ‘religieuze’ denkbeelden in het algemeen verstaat. De mening die je over God hebt, voorafgaand aan of los van Godsrealisatie Zelf, heb je doorgaans meegekregen uit je jeugd.
Vandaar, dat godsdienst vaak een oplossing is voor een nogal Infantiel probleem: de behoefte om beschermd en gesteund te worden, te voelen dat alles in orde is en in goede banen zal worden geleid, de behoefte om te ‘weten’ dat een hogere, Andere Macht alles onder controle heeft.
Als ouders het met hun kinderen over God hebben, praten ze meestal over God in de trant van een superversie van pappa en mamma. Mensen die met elkaar spreken over hun vroegste religieuze besef (en dat is eerder een soort geestelijke instelling dan een beleving), doen dat veelal in termen van het realiteitsmodel van een kind. In feite moet je echter, om het religieuze proces echt aan te gaan, de werkelijkheidsversie van het kind overstijgen. Om mens te worden, om een volwassen, volgroeide menselijke persoonlijkheid te kunnen zijn, zou je die kinderlijke zienswijze moeten hebben overwonnen, maar dat hebben mensen doorgaans niet. In hoeverre mensen religieus zijn, wordt dan ook bepaald door het in wezen kinderlijke of infantiele deel van henzelf dat religieus is dan wel behoefte heeft aan religie. Het hele terrein van de godsdienst is veeleer het terrein van iets dat (nog) niet menselijk is of van iets kinderlijks en puberachtigs, dan van echte menselijke volwassenheid.
Wie ‘in God gelooft’, gelooft in feite dat alles buiten hem of haar wordt belichaamd in iets (een Persoon, een Kracht of een Wezen) dat met alleen alles maakt en regelt, maar ook alle touwtjes in handen heeft en iedereen zal beschermen—en dan vooral: dat die Andere Persoon je zal helpen de dingen te krijgen die je graag wilt hebben, als je maar een speciaal soort relatie met die Ander aangaat. Zo’n relatie komt heel sterk overeen met de relatie die je ouders je hebben aangeboden: “Als je braaf bent, vinden we je lief—dan zullen we je beschermen en je alles geven wat je wilt.”
Conventionele godsdienst is derhalve grotendeels een cultureel complex van maatschappelijke normen en waarden, waarbinnen de mensen wordt gevraagd zich te gedragen op een manier die braaf wordt genoemd. Zolang ze maar een goede band onderhouden met de op vader of moeder lijkende God, zal Hij van ze houden, hen beschermen en hun—zolang ze leven en na de dood—alles geven waarnaar ze verlangen. Godsdienst komt dan ook grotendeels voori uit je jeugd, uit een afhankelijke, kinderlijke positie.
Naarmate mensen evenwel volwassen worden, krijgen ze te maken met de harde realiteit van het bestaan. Ze voelen zich lang niet meer zo goed beschermd als toen ze nog kind waren, veilig thuis hij hun ouders. Dientengevolge beginnen ze vragen te stellen en te twijfelen aan het bestaan van die Ouder-God. Zulke mensen blijven soms op de een of andere manier wel religieus, bereid als ze zijn het spel van de maatschappelijke normen en waarden en het braaf-zijn mee te spelen, maar ze onderhouden met die Godspersoon nog steeds een tamelijk onvolwassen relatie van afwisselend afhankelijk en onafhankelijk zijn, van nu eens verwelkomen en dan weer afstoten.
Atheïsme is de ultieme ontkenningsvorm van de God-als-ouder. Atheïsme is niet gebaseerd op iemands werkelijke kennis van de onherleidbare bouwstenen van het universum. Het is op zich een somt puberale ontwikkeling van de menselijke soort. Wat het atheïstische dogma karakteriseert, is niet de ontdekking dat God niet bestaat, maai de weigering om de Ouder-God van de kinderlijke religie te erkennen
Als die kinderlijke religie werkelijk tot een beleving wordt, in plaats van alleen maar een geestelijke instelling te blijven, zou ze in de grond kunnen worden gekenschetst als een zeer primitief gevoel dat je hele leven aangrijpt, maar dat je het sterkst ondervindt in je
alleen-zijn, je individualiteit.
Het is het gevoel dat, als je alleen bent—en in zekere zin ben je altijd alleen, want je hebt een persoonlijk levenslot—er toch altijd Iemand Anders, de Volwassene, de Grote Vader of Moeder, aanwezig is. Die Ander ziet precies wat je allemaal uitspookt en vertegenwoordigt ten aanzien van dat wat je doet een Ouderlijke Wil. Die Ander wil dat je bepaalde dingen wel doet, wil dat je andere dingen niet doet en zal je waarschijnlijk belonen als je de dingen doet die Hij of Zij van je verlangt en je op allerlei manieren straffen als je ze nalaat.
Vanuit zo’n God-de-ouder-idee komen alle tradities voort die verband houden met het begrip ‘zonde’ ofwel de beoordeling van gebeurtenissen die niet slechts uitgaat van de feiten, maar die ze in verband brengt met de Vader- of Moedergod. Als je iets negatiefs overkomt, wordt dat meestal uitgelegd als een straf van Godswege, als een gevolg van je conventioneel-morele gedrag of van je doen en laten als sociale persoonlijkheid. Overkomt je iets goeds, dan wordt dat geacht een geschenk of een beloning te zijn, afkomstig uit dezelfde Bron.
Verdiep je eens wat meer in het standpunt van de conventionele, ‘beschaafde’ religies—het christendom, het Jodendom, de Islam. Dan zul je zien dat die vormen van godsdienst in de grond overeenkomen met de ideeënstructuur die Ik zojuist heb geschetst en derhalve in de eerste plaats een ontwikkeling zijn van de infantiele bewustzijnstoestand en de oorspronkelijke ouderbinding uit de jeugd. Ze worden gecompliceerd, doordat jonge mensen die zich bewust worden van hun eigen ‘ik’ zich tegen van alles en nog wat gaan afzetten—een proces dat vaak ook heel kenmerkend is voor de zogenaamde volwassenheid.
De Weg van het Hart beoogt geen ontwikkeling van deze kinderlijke of conventionele godsdienst te zijn. Als Ik over God praat—en Ik spreek ook in andere termen dan ‘God’, maar dit is een van de benamingen die Ik in dit kader gebruik—heb Ik het niet over die God-als-ouder. Ik heb bij herhaling kritiek geuit op de kinderlijke manier van omgaan met dergelijke termen en het hele proces van godsdienst en Spiritueel leven.
Ik zou het ‘Standpunt’ dat Ik met je ‘Overweeg’ kunnen vergelijken met dit kinderlijke religieuze standpunt, door te zeggen dat ware religie niet is gebouwd op het primitieve gevoel dat er, zelfs als je alleen bent, altijd Iemand Anders aanwezig is. Liever beschrijf Ik de basis van ware religie als de mysterieuze beleving of intuïtie, dat— ongeacht hoeveel mensen er aanwezig zijn, jijzelf inbegrepen, en ongeacht wat er gebeurt—er altijd maar Één Werkelijkheid is: Één ‘Zelf’, Één Toestand. Dat Ene is niet ‘anders’. Die Ene is niet je vader of je moeder. Om in termen van zintuiglijk waarneembare zaken en op ervaring gegronde kennis te spreken: Die Ene is niet alleen maar bezig jou bij voortduring te belonen of te bestraffen, je te steunen en te beschermen. Nee, Die Ene doet zich kennen in allerlei zintuiglijk waarneembare toestanden, in de vorm van tegenpolen, tegenstrijdigheden zelfs. Die Ene laat zich niet in
kinderlijke bewoordingen verklaren.
Sta je werkelijk stil bij de aard van de conditionele Natuur of van het zintuiglijk waarneembare bestaan, dan moet je wel tot de conclusie komen dat het geloof in God-de-ouder nergens op berust. Volgens Mij is er totaal geen rechtvaardiging voor.
Maar het is aan jou, dat te ‘overwegen’. Waarin zou die rechtvaardiging dan wel moeten schuilen? Het is eenvoudig niet in overeenstemming met de feiten van het bestaan dat er een groot, alwetend, alomtegenwoordig, almachtig Wezen zou zijn dat alles laat gebeuren, de algehele leiding in handen heeft en ervoor zorgt dat het goed gaat met de mensen die dat Wezen erkennen en die gehoorzamen aan bepaalde morele principes. Dat is gewoon niet waar. Er bestaat geen Vader- of Moedergod die de geschiedenis beheerst, een groots plan voor de mensheid opstelt en in een historische context de eeuwig geldende Waarheid openbaart, zoals van Jezus, andere profeten en grote figuren wordt gedacht.
Het Goddelijke of God, Degene Die moet worden Gerealiseerd, is niets anders dan jouw werkelijke Toestand. Die God transcendeert je persoonlijke conditionele bestaan, maar je conditionele bestaan komt tot bewustzijn in Die God. Alle verschijnselen zijn een modificatie van Die God, een speling van Die Ene God. Om Die God te Realiseren, moet je diep doordringen in de Goddelijke Positie van het Zelf, maat niet via de traditionele manier van inkeer of het binnenwaarts richten van je aandacht, want dat is gewoon weer zo’n oplossing die het ego pleegt te kiezen voor het veronderstelde probleem van het bestaan.
Dat Wat moet worden Gerealiseerd, is gelegen in de Goddelijke Positie van het Zelf. Je kunt het niet Realiseren door je te wenden tot Iets buiten jezelf of door je op een kinderlijke manier afhankelijk te maken van het een of andere mooie Principe, maar door je devotionele overgave aan Mij, de Goddelijke Persoon, waardoor je de grenzen aan de Goddelijke Positie van het Zelf overstijgt en het Ultieme Potentieel Realiseert van Dat Waarin
je bent opgenomen.
Je zult niet echt religieus worden, tenzij je werkelijk tot dat besef komt en je je van dat standpunt bewust wordt. De Vader- of Moedergod van de kinderlijke religie kan niet worden bewezen. Die God bestaat niet. De worsteling om het bestaan van zo’n God te bewijzen, Is een verkeerde strijd. Het is een symptoom van de algemene kwaal, de probleemgerichtheid van het ego dat zich bedreigd weet. Dat betekent niet dat alle mensen, als waren zij atheïstische psychiaters, de religie nu maar meteen overboord moeten zetten—hoewel op basis van een intelligente ‘overweging’ veel van wat ‘religie’ wordt genoemd zou moeten worden afgedankt omdat het niet meer inhoudt dan een troost voor min of meer kinderlijke ego’s. Ware religie houdt echter veel meer in dan wat deze kinderlijke beweringen behelzen. Ik Vraag je, Dat Wat voorbij deze kinderlijke beweringen reikt in de vorm van Mijn Wijsheidsleer alsook op grond van de Grote Traditie of die totale, wereldomvattende erfenis van de menselijke cultuur te overwegen.
Het Grote Zijn, de Grote Goddelijke Werkelijkheid, bestaat. Die Waarheid bestaat. Er is een Weg om tot Realisatie Daarvan te komen. Die Weg vereist grote rijpheid, geen kinderlijkheid, geen adolescentie, geen ego-zijn. Die Weg impliceert de overstijging van al het conventionele religieuze dat te maken heeft met je kinderlijke en onvolgroeide persoonlijkheid. Je komt niet tot die Realisatie door een beroep te doen op de Andere Macht, de objectieve Ouder-God buiten je, zoals de conventionele godsdienst zich ten doel stelt. De Weg van het Hart Impliceert zelfs geen verzoek aan die Grote Ander in de vorm van enigerlei mystieke of fijnstoffelijke objecten.
God is niet de Figuur-met-de-witte-baard uit de mythen van het Oude Testament (of, beter gezegd, uit de bekende joods-christelijke mythologie), maar God is ook niet zoiets als een allesoverheersend, op Vader of Moeder lijkend Wezen. God is zelfs niet als een autonome Persoonlijkheid in exclusieve zin ergens in de kosmische Natuur aanwezig. Noch kan God worden geïdentificeerd met enig fijnstoffelijk object in de kosmische Natuur of met een van de lichten die via mystiek bewustzijn
kunnen worden waargenomen.
Je kunt Degene die God is alleen Realiseren en derhalve uiteindelijk Diens bestaan bewijzen, als je doordringt tot in het diepst van de Goddelijke Positie van het Zelf, het Domein van je Ware Bestaan, Dat Wat Is,
het Zijn Zelf.
De God van de conditionele Natuur, ‘God-de-Schepper’, kan niet worden bewezen, omdat Hij als zodanig niet bestaat. Maar de Grote God, die Transcendentaal (en Inherent Spiritueel) is, Bestaat in de Goddelijke Positie van het Zelf. Met andere woorden, Die God bestaat op het niveau van je eeuwige Bestaan en niet op het niveau van de dingen die verband houden met je conditionele bestaan, je waarneembare zelfstandigheid. Diezelfde God is ook voor jou aanwezig in de vorm van alle anderen,
alle dingen, alle staten van de conditionele Natuur—niet als Iets Anders, maar veeleer als Die Ene Waarin jij bent opgenomen.
Die God is aanwezig als de Goddelijk Zelf-Gerealiseerde Ingewijde, de mens die de Kracht van het Goddelijke Wezen Overbrengt, echter niet in enige exclusieve zin, niet als de Heilige Ander, maar als Dat Wat de Macht van de Goddelijke Positie van het Zelf Manifesteert. Die God is Aanwezig als Spirituele Kracht, Overgebracht door de Spirituele Doop van de Ingewijde en door Goed Gezelschap.
Als je Mijn Spirituele Hartoverdracht ontvangt, is dat dan ook bedoeld om je tot de Bewustwording te brengen van Dat Wat in de Goddelijke Positie van het Zelf besloten ligt. Het is niet de bedoeling dat je je conformeert aan een schijn-Macht buiten jezelf, die vereist dat je je bezighoudt met activiteiten die veel weghebben van de kinderlijke sociale manier van doen binnen de conventionele religiositeit.
Waar het op neerkomt is, dat de Waarheid die moet worden Gerealiseerd, eenvoudig kan worden samengevat als het Besef dat, ongeacht wat zich voordoet, ongeacht hoeveel anderen er aanwezig zijn, er altijd maar Eén Wezen is. Dat is heel wat anders dan de kinderlijke bewering dat, zelfs als je alleen bent, er altijd Iemand Anders aanwezig is.

Terug naar Lees